Minister Keijzer erkent dat cijfers ontbreken, maar baseerde wetsvoorstel toch op niet-gecontroleerde schattingen huisvesting statushouders Van de Beek
In antwoord op Kamervragen van NSC geeft demissionair minister Keijzer aan dat er ” meer gegevens nodig die nu niet voorhanden zijn” om vast te stellen hoeveel procent van het totaal aantal toegewezen woningen aan starters aan statushouders is toegewezen. Het antwoord is opvallend omdat Keijzer wel een percentage opnam in haar memorie van toelichting op wetsvoorstel om voorgang te geven aan statushouder te verbieden.
In de weken voor de verkiezingen was er in de sociale en reguliere media veel discussie over hoeveel druk de huisvesting van statushouders legt op de kansen voor reguliere woningzoekenden om een sociale huurwoning te krijgen.
Wiskundige en cultureel antropoloog dr. Jan van de Beek geeft al sinds minimaal twee jaar daar door hem berekende cijfers over. Echter is er veel kritiek op deze cijfers. Zo geeft Van de Beek geen onderbouwing, geeft hij geen antwoord op vragen, zijn zijn cijfers niet consistent , schrijft hij onjuistheden over het CBS en uit hij de verkeerde conclusies.
Minister Mona Keijzer had in haar memorie van toelichting over het wetsvoorstel om het geven van voorrang aan statushouders te verbieden cijfers van Jan van de Beek opgenomen. Dat is opvallend. De redactie van deze website vroeg de woordvoerder of de minister deze cijfers heeft gecontroleerd. Weken na het stellen van de vraag is er nog steeds geen antwoord gegeven.
Dat het maken van een schatting van de druk van huisvestiging statushouders enorm complex is door ontbreken van cijfers en verschillende definities schreef deze website al eerder. Nog een voorbeeld van de complexiteit is dat verschillende media met verschillende percentages kwamen. Zowel SBS6 als Lubach zaten echter fout.
Minister geeft dat in de beantwoording van de Kamervragen ook aan. Vragenstelster Welzijn vraagt: Bent u bekend met het gegeven dat volgens het Centraal Orgaan opvang
asielzoekers (COA) 6 tot 10% van de vrijgekomen sociale huurwoningen naar
statushouders gaat? Is dit percentage het juiste percentage en zo niet, wat is dan wel het juiste
percentage, waarom en wat is de bron? Worden alle typen sociale huurwoningen en situaties waarop deze woningen vrijkomen (denk aan nieuwe woningen, doorstroom etc.) in dit percentage meegenomen, zo niet wat dan wel en waarom is de keuze gemaakt om met
deze data te komen tot het juiste percentage?
Het verkortte antwoord luidt: Echter worden vrijwel alle typen zelfstandige sociale huurwoningen en manieren van toewijzing meegenomen in de hierboven genoemde algemene
toewijzingspercentages. Gedeelde woningen niet, deze zijn niet meegenomen
in de rapportage van de woningcorporaties of de publicatie van het CBS. Het
CBS rapporteert in de genoemde rapportage wel toewijzingen aan huishoudens die geen vrije woning achterlaten. Als gekeken wordt naar deze groep
dan bedraagt het percentage woningen toegewezen aan statushouders in
2022 12%.
Hierin worden echter nog steeds doelgroepenwoningen zoals woningen voor ouderen, meegenomen evenals doorstromers die geen vrije woning achterlaten.
Dit betekent dat de vergelijking met een reguliere starter in de sociale huursector die niet in aanmerking komt voor een doelgroepenwoning (zoals een woning bedoeld voor ouderen) niet gemaakt kan worden op basis van de genoemde percentages. Om deze vergelijking te maken zijn meer gegevens nodig die nu niet voorhanden zijn. Ik werk aan een verrijking van bestaande gegevens en verbetering van gegevensverzameling.
Met andere woorden: om de vergelijking te maken tussen het aantal woningen toegewezen aan statushouders en het aantal woningen aan starters zijn volgens de minister meer gegevens nodig.
Op vraag 13 van Welzijn geeft de minister een gelijkend antwoord; “Wat is het percentage statushouders dat een vrijgekomen sociale huurwoning bemachtigt in verhouding tot de starters op de woningmarkt die op de wachtlijst staan voor een sociale huurwoning?”
Antwoord: Zoals eerder gezegd is dit niet te bepalen op basis van de huidig beschikbare
gegevens en hangt dit ook af van de gekozen definitie van een starter en
startershuishouden. Bij gebrek aan beschikbare gegevens heeft dr. Jan van de
Beek wel een beredeneerde schatting hiervan gemaakt, hiervoor verwijs ik
naar het antwoord op vraag 10.
Het is opmerkelijk dat minister Keijzer in de beantwoording van vragen aangeeft dat er onvoldoende gegevens beschikbaar zijn, maar in haar memorie van toelichting wel percentages die Jan van de Beek geeft opnam.