Twee vragen, vele antwoorden: waarom cijfers over statushouders en sociale huur zo verschillen
7%, 11%, 17% — iedereen lijkt een ander cijfer te hebben over het aantal woningen dat naar statushouders gaat. In talkshows, kranten, podcasts, debatten, bij Lubach en op social media worden verschillende cijfers genoemd.
Hoe kan dat? Simpel: men beantwoordt niet dezelfde vraag.
Dit artikel laat zien welke vraag het CBS beantwoordt, welke berekening Jan van de Beek maakt, en waarom de cijfers van Lubach en SBS6 niet met elkaar te vergelijken zijn.
- De ene vraag is: hoeveel procent van het totaal aantal beschikbaar gekomen sociale huurwoningen in een jaar is toegewezen aan statushouders.
- De andere vraag is: hoeveel procent van het totaal aantal beschikbaar gekomen sociale huurwoningen die aan starters zijn toegewezen is aan statushouders toegewezen.
Het antwoord krijgen op vraag 2 is enorm lastig. De redactie van deze website doet al een paar weken onderzoek. Waarom het zo lastig is om te komen tot een betrouwbaar cijfer staat in dit artikel beschreven. Dat geeft een van de verklaringen waarom de cijfers die worden getoond zoveel van elkaar afwijken.
De totale hoeveelheid beschikbare woningen wordt door woningcorporaties toegewezen aan groepen met urgentie, voor maatwerk, voor starters en aan statushouders.
Het is logisch dat omdat de groep woningzoekende starters in aantallen kleiner is dan de groep van alle woningzoekenden die een woning kreeg, dat het antwoord op vraag 2 een hoger percentage geeft dan het antwoord op vraag 1.
Okay, nu duidelijk is dat er twee verschillende vragen zijn met verschillende antwoorden, kijken we wie welk antwoord gaf op welke vraag. Dit artikel gaat niet in op wie een juist antwooord geeft.
Dit artikel van het CBS geeft over het jaar 2022 antwoord op vraag 1. In het artikel staat duidelijk ” In 2022 werd bijna 7 procent van alle vrijgekomen corporatiewoningen toegewezen aan huishoudens met statushouders. “
In de discussie bij Pauw en De Wit gaf Jesse Klaver antwoord op vraag 1, terwijl Mona Keijzer antwoord gaf op vraag 2.
Jan van de Beek is al jaren bezig met berekeningen op antwoord te krijgen op vraag 2. Dat het niet meevalt blijkt uit het feit dat zijn cijfers over hetzelfde jaar steeds weer anders zijn.
Op 23 oktober was het Debat van Nederland op televisie. Daar gooide de redactie van het programma vraag 1 en 2 door elkaar. Want het CBS gaf antwoord op vraag 1 (7%) maar de redactie gebruikt dat antwoord om de uitkomst (17%) op vraag 2 te vergelijken. De uitkomst was 17%. Logisch dat er een verschil is.
Waarschijnlijk maakte SBS6 deze berekening op basis van cijfers van het CBS ; 6860 huishoudens met statushouders is 17% van het totaal van starters. Op deze berekening kom ik in een later artikel nog terug. Op 7 maart 2025 bracht Telegraaf ook deze 17% in dit artikel. Het betreft net als wat SBS6 deed een eigen interpretatie van de cijfers en definities van CBS.

Dan Lubach. In de uitzending van 23 oktober kwam het programma met weer andere cijfers. De nieuwsconsument snapt er intussen niets meer van. Wie heeft er nu gelijk?
Vanaf dit moment in de uitzending gaat Lubach een toelichting geven. Lubach geeft een antwoord op vraag 2. Logisch dat dan het cijfer van Jesse Klaver (antwoord op vraag 1) anders is.
Lubach stelt dat in een bepaarlde periode , op dat jaar is of een gemiddelde van meerdere jaren , er 39.000 woningen beschikbaar kwamen voor starters. Daarvan gingen er 4.600 naar statushouders. Hij komt met een percentage van 11,5%.