Achter de cijfers van Jan van de Beek: hoe zijn de woningtoewijzingen aan statushouders berekend?
Jan van de Beek, die veel onderzoek doet naar migratie, wilde weten hoeveel woningen worden toegewezen aan statushouders in verhouding tot het aantal woningen dat wordt toegewezen aan starters.
Dat het antwoord enorm lastig te vinden is blijkt alleen al uit deze post op X van Van de Beek. Wat Van de Beek met ‘ gatenkaas’ bedoelt is niet helemaal duidelijk. Feit is dat er geen gemiddelde statushouder bestaat. De verhuizingen naar een sociale huurwoningen verschillen, de huishoudens verschillen. Niets zo divers en dynamisch dan een enorme groep mensen.
De redactie van deze website worstelt net zo goed met definities en op het oog niet consistente cijfers. Om de betekenis van cijfers duidelijk te maken helpt het stellen van vragen aan o.a. het CBS.

Het cijfer over hoeveel procent van de woningen worden toegewezen aan statushouders vergeleken met alle vrijgekomen sociale huurwoningen is door het CBS over een beperkt aantal jaar gerapporteerd. Waar echter niet over wordt gerapporteerd is hoeveel procent van de sociale huurwoningen worden toegewezen aan starters jonger dan 65 jaar met inkomen onder de Wet huurtoeslag. Dit is de groep die concurreert met de statushouders voor het krijgen van een sociale huurwoning. Deze groep veelal jonge mensen moet jaren wachten voordat zij een sociale huurwoning krijgt.
Het berekenen van de uitkomst komt deels neer op schattingen. Voorwaarde om tot een goede berekeningen te komen is begrip van wat de cijfers van vooral het CBS precies betekenen.
We gaan de cijfers die Van de Beek onlangs liet zien in een post op X uitleggen. Helaas reageerde Van de Beek niet op vragen van deze website om een onderbouwing te geven. Zijn cijfers zijn genoemd in de memorie van toelichting die onderdeel is van het wetsvoorstel tot wijziging van de wet. Minister Mona Keijzer wil in deze wet de voorrang voor het toewijzen van woningen aan statushouders door gemeenten verbieden.
Het is daarom enorm belangrijk dat duidelijk is hoe de cijfers tot stand zijn gekomen en of deze kloppen.
In dit artikel wordt een uitleg gegeven over de methode. Een factcheck of de cijfers kloppen wordt in een nog later te publiceren artikel getoond.

De berekening van Van de Beek begint met het aantal gehuisveste statushouders. Die cijfers wordt door de Nederlandse Rijksoverheid maandelijks gepubliceerd. Ook de vereniging van woningcorporaties laat deze cijfers zien. Overigens woont niet iedere statushouder in een sociale huurwoning. Ongeveer 94% doet dat. Zo’n 5,5% woont in een private huurwoning en 2,4% in een koopwoning (bron).
Vervolgens maakt Van de Beek een conversie van het aantal statushouders dat werd gehuisvest naar het aantal woningen waar de statushouders in werden gehuisvest. Dat is nodig omdat de uitkomst van de berekening moet zijn hoeveel woningen naar statushouders gaan.
Van de Beek rekent met drie varianten, 2,5 persoon per woning, 2 personen per woning en 1,66 persoon per woning. Deze komt overeen met het cijfer dat is gecommuniceerd door bijvoorbeeld Aedes namellijk 1,7 personen per woning rond 2021. Het aantal personen per huishouden stijgt de laatste jaren. De resultaten van de berekening zouden wat meer leesbaar zijn voor de leek (en dat zal vrijwel iedereen zijn vanwege de complexiteit) als Van de Beek ervoor had gekozen om per jaar uit te gaan van 1 gemiddelde en niet van 3.
Vervolgens toont Van de Beek in de rij met titel ‘ Toewijzingen totaal’ het totaal aantal toegewezen sociale huurwoningen in een jaar. Het betreft hier dus alle sociale huurwoningen in eigendom van woningcorporaties aan alle groepen huurders. Het betreft hier de cijfers die Aedes geeft in haar Datacenter onder de naam ‘ Toewijzingen totaal‘. Het aantal toewijzingen over 2024 is op moment van schrijven van dit artikel nog niet beschikbaar in Aedes datacenter.
Omdat voor het jaar 2024 er nog geen cijfers zijn gepubliceerd heeft Van de Beek voor dit jaartal het gemiddeld van 2022 en 2023 genomen. Waarom dat is gedaan wordt niet uitgelegd.
Vervolgens laat Van de Beek zien hoeveel sociale huurwoningen zijn toegewezen aan mensen jonger dan 65 jaar met een inkomen onder de inkomensgrens wet op de huurtoeslag (Wht). Dit cijfer is te zien in de Aedes datacentrum. Voor 2024 zijn deze gegevens er niet. Ook hier heeft Van de Beek het gemiddelde genomen van 2022 en 2023.
Vervolgens noemt Van de Beek in de rij’ Starters (% van totaal) steeds voor ieder jaar een percentage. Dat betreft het percentage starters van het totaal aantal toegewezen sociale huurwoningen. De definitie van een starter is volgens de Jaarrapportage die Van de Beek aanhaalt ‘ Een starter is een huishouden dat voor verhuizing niet zelfstandig woonde en daarna hoofdbewoner van een woning is.’
Voor de jaren 2015 tot en met 2018 heeft hij percentage genomen dat is genoemd in de Jaarrapportage 2019. Voor de jaren 2021, 2022 en 2023 heeft hij cijfers van het CBS gebruikt. Voor 2024 waar geen cijfers over bekend zijn is wederom een gemiddelde genomen van 2022 en 2023.
Hieronder een screenshot van de Excel sheet die het CBS heeft gepubliceerd. We zien dat in 2021 45.477 woningen eigendom van een woningcorporatie zijn betrokken door starters die geen lege woning of woonruimte hebben achtergelaten. Het totaal aantal woningen waar deze groep naartoe verhuisde was 167.186. Dat is 27%. Van de Beek schrijft 26%.
Voor 2022 is dat 26%. Van de Beek schrijft 27%. Voor 2023 is dat 27%. Van de Beek schrijft ook 27%.

Er is ook een groep doorstromer in de huurmarkt. Dat zijn mensen die al zelfstandig woonden en verhuizen van de ene sociale huurwoning naar een andere sociale huurwoning, of verhuizen van een koopwoning naar een sociale huurwoning. Die groep wordt buiten beschouwing gelaten.
Vervolgens gaat Van de Beek een schatting maken van het aantal starters onder de 65 jaar en met een inkomen onder de inkomensgrens wet op de huurtoeslag (Wht).
Dat doet hij door drie varianten te gebruiken. Dat is gedaan omdat van de groep starters, dus mensen die voor het eerst een zelfstandig huishouden vormen zonder achterlaten van een lege woning, we niet het inkomen weten. Het grootste deel van deze groep zal bestaan uit jonge mensen die nog bij de ouders wonen. Dus ook vooral starters op de arbeidsmarkt.
Variant 1 genaamd ‘ 100% starters <65 & < Wht-grens’ gaat ervan uit dat 100% van de woningen die zijn toegewezen aan starters , de starters een inkomen heeft onder onder de inkomensgrens wet op de huurtoeslag (Wht). Dat lijkt de meest realistische variant. De cijfers die van de Beek noemt voor de jaren 2021,2022 en 2023 zijn exact die het CBS laat zien in de Excel sheet. Voor 2021 waren er 45.477 woningen die zijn betrokken door een starter die geen lege woning acherliet. Daar zitten soms verkeerde uitkomsten bij. In het jaar 2017 geeft Van de Beek 43.187 als uitkomst terwijl dit 43.641 zou moeten zijn. Waarom dit is is onbekend. De verschillen zijn minimaal en beinvloeden de uitkomst nagenoeg niet.
Variant 3 heeft hij genoemd ‘ Gelijk aan % bij Toewijzingen totaal’. De cijfers die in deze rij staan is de uitkomst van het percentage genoemd in de rij ‘ Starters (%van het totaal) maal het aantal woningen dat is toegewezen aan mensen jonger dan 65 jaar met inkomen onder de Wht-grens’. Het aantal woningen dat in variant 3 staat is een stuk lager dan dat in variant 1 staat. Voor jaar 2021 is het aantal woningen van variant 3 bijvoorbeeld maar 65% van dat van variant 1.
Variant 2, genaamd ‘Gemiddelde van a en b‘, is het gemiddelde van de cijfers die bij Variant 1 en Variant 3 worden genoemd.
Vervolgens laat Van de Beek in de resterende rijen zien hoeveel woningen werden toegewezen aan statushouders in verhouding tot het aantal woningen toegewezen aan starters. Dat zijn totaal negen varianten.
Voor iedere variant van het aantal personen per huishouden met statushouders wordt berekend hoeveel % van de woningen naar deze groep is gegaan in verhouding tot de drie varianten van toewijzing aan starters.
De laatste rij toont het gemiddelde over de negen varianten.