Twijfels over objectiviteit OM in Stint-zaak: kan voldoende afstand nog worden gewaarborgd?
Het Openbaar Ministerie (OM) heeft in Nederland als centrale taak het handhaven van de strafwet en het waarborgen van een eerlijke strafrechtspleging. Het OM is daarbij niet alleen een vervolgende partij, maar ook verantwoordelijk voor een objectieve waarheidsvinding. Om die rol goed te kunnen vervullen, is professionele afstand tot zowel het politieonderzoek als tot slachtoffers en nabestaanden van groot belang.
Juist die afstand lijkt in de strafzaak rond de Stint, het elektrische vervoermiddel dat in 2018 betrokken was bij het dodelijke ongeluk in Oss, onder druk te hebben gestaan. In deze zaak werden twee ondernemers vervolgd die de Stint op de markt brachten.
Normaal gesproken beslist het OM pas na afronding van een politieonderzoek of een verdachte wordt vervolgd. Officieren van justitie leiden het opsporingsonderzoek, beoordelen het verzamelde bewijs en bepalen of een zaak voor de rechter komt. In de rechtszaal vertegenwoordigt het OM vervolgens de samenleving en vraagt het om een straf wanneer een verdachte schuldig wordt bevonden.
Bij die taak hoort echter ook een belangrijke verplichting: het OM moet niet alleen belastend bewijs, maar ook ontlastend bewijs onderzoeken en presenteren. Het doel is immers niet om koste wat kost een veroordeling te verkrijgen, maar om de waarheid vast te stellen.
Toch zijn er signalen dat de objectiviteit in de Stint-zaak mogelijk onder druk stond. Tijdens een zitting waar ook de redactie van deze website aanwezig was, viel op dat een van de officieren van justitie, Janine Kramer, meerdere malen contact maakte met nabestaanden in de zaal, onder meer door naar hen te knipogen. Na afloop van de zitting zocht zij direct contact met hen. Kramer was bovendien al langere tijd bij de zaak betrokken en trad eerder op als persofficier tijdens het politieonderzoek.
Op 13 februari sprak de rechtbank Oost-Brabant de oprichters van het Stint-bedrijf op twee van de drie aanklachten vrij. Volgens de rechtbank kan hun strafrechtelijk niet worden verweten dat zij opzettelijk een schadelijk voertuig op de markt hebben gebracht. In een uitgebreid vonnis concludeerde de rechtbank dat onvoldoende bewijs bestaat voor strafrechtelijke schuld.
De reactie van het OM na de uitspraak was opvallend. Volgens verslaggevers van De Telegraaf liet een officier van justitie vrijwel direct weten dat het OM zich niet bij de uitspraak zou neerleggen en “zeker” in hoger beroep zou gaan. Ook Omroep Brabant meldde dat de officier na afloop van de uitspraak zichtbaar aangeslagen was en tot tranen toe ontroerd reageerde bij de nabestaanden.
Het direct aankondigen van hoger beroep roept vragen op. De rechtbank had een uitgebreid en gedetailleerd vonnis gepubliceerd. In de praktijk mag worden verwacht dat het OM eerst de volledige uitspraak zorgvuldig bestudeert voordat een beslissing over hoger beroep wordt genomen. Zo’n procedure vraagt immers veel van alle betrokkenen: van nabestaanden en verdachten, maar ook van het OM zelf, dat met publiek geld opnieuw een omvangrijke strafzaak moet voeren.
Twee weken later werd inderdaad bekend dat het OM officieel hoger beroep had ingesteld.
In het verleden is vaker gebleken dat tunnelvisie binnen politie en OM kan leiden tot gerechtelijke dwalingen. Het Posthumus-rapport uit 2005, opgesteld na de Schiedammer parkmoord, waarschuwde expliciet voor de risico’s van sterke emotionele betrokkenheid bij nabestaanden. Intensieve en emotionele gesprekken kunnen volgens het rapport psychologisch belastend zijn en mogelijk invloed hebben op de noodzakelijke professionele distantie van een officier van justitie.
Daarom adviseerde de commissie-Posthumus om in zaken met grote emotionele impact het contact met nabestaanden te laten verlopen via een andere medewerker van het OM dan de officier die de zaak in de rechtszaal behandelt. Zo kan worden voorkomen dat onbewuste druk ontstaat om koste wat kost tot een veroordeling te komen.
De vraag die de Stint-zaak oproept, is daarmee breder dan alleen deze specifieke strafzaak: hoe waarborgt het Openbaar Ministerie voldoende afstand om zijn rol als objectieve hoeder van de rechtsstaat te blijven vervullen?