Zo onjuist informeerde minister van Nieuwenhuizen de Tweede Kamer over de Stint

Op 18 oktober beantwoorde minister Cora van Nieuwenhuizen vragen van de Tweede Kamer over de Stint.

Haar antwoorden op een aantal vragen waren onjuist, onvolledig en misleidend. Deze blogpost geeft een overzicht.

De minister schrijft: “Op 1 oktober ben ik door de ILT geïnformeerd middels het feitenrelaas. Op basis hiervan heb ik besloten de Stint te schorsen.”

Een aantoonbare bewering door de ILT is het smeltpunt van “normaal soldeer”. De ILT schrijft in haar feitenrelaas dat dus de basis was voor de minister om de vergunning van de Stint te schorsen, dat normaal soldeer een smeltpunt heeft van 72 graden.

Dat is echt totale onzin! Normaal soldeer heeft een smeltpunt van minstens 217 graden Celcius. Ik heb diverse malen gevraagd aan de woordvoerder van de ILT hoe het ILT toch is gekomen tot de uitspraak. Ik werd verwezen naar het TNO onderzoek. In de opdracht van ILT aan TNO staat niets over het onderzoeken hoe ILT tot haar bevinding is gekomen dat normaal soldeer smelt bij 72 graden.

Het feitenrelaas is een opsomming van vele onjuistheden, halve waarheden waarbij veel context bewust is weggelaten door de ILT. Zie mijn eerdere blogpost hier.

In een gespreksverslag (bijlage-42-onderzoeksverslag-ilt-5-oktober-inspecteur-producttoezicht-2) opgesteld door een ILT inspecteur wordt geschreven:

,,Er is nog een Stint in een niet nader te noemen plaats in beslag genomen die op hol zou zijn geslagen’

Dat zogenoemde ‘op hol slaan’, werd een belangrijke trigger voor het ministerie om alle Stints op de openbare weg te verbieden.

Dit gespreksverslag is aan de Kamer verstrekt. De term ‘op hol geslagen’ is niet correct. In de bewuste situatie ging de Stint niet naar de maximale snelheid maar kon er niet automatisch worden geremd door de gashendel los te laten. De directrice van het kinderdagverblijf maakte bezwaar tegen het gebruik van de term in het proces verbaal. Het ministerie gebruikte in het verweerschrift voor het kort geding wel de juiste term. Namelijk dat de Stint bij loslaten van het gas geen vaart minderde.

Vervolgens schrijft de minister  dat zij documenten deelt de de Kamer “Het betreft de rapportagebrief van het NFI van 28 september en twee onderzoeksverslagen van de ILT.”.

De minister deelt echter niet een gespreksverslag opgesteld door de juriste van de ILT die in het weekend waarin overleg plaatsvond met de fabrikant aanwezig was bij dit overleg, samen met twee andere ILT medewerkers.

De minister informeert vervolgens hoe fabrikanten moeten omgaan met een voertuig in de categorie ‘bijzondere bromfiets’ wanneer deze vanaf 1 januari 2015 is toegelaten tot de openbare weg.

Fabrikanten moeten sinds 2015 wel verklaren dat de op de markt te brengen bijzondere bromfietsen identiek zijn aan het geteste exemplaar. Er is niet voorzien in toezicht op typeconformiteit. Aangewezen bijzondere bromfietsen moeten steeds voldoen aan de zogenoemde permanente eisen voor bijzondere bromfietsen.

Wat de minister nalaat te beschrijven is dat deze wetgeving op moment van toelating van de Stint in 2011 niet bestond.

Hiermee geeft de minister aan de Kamer geen accurate voorstelling van feiten.

De Stint was ook te lang in 2011!

Vervolgens geeft de minister antwoord op de vragen. Het antwoord op vraag 1 is al direct onjuist. Ze schrijft:

De RDW heeft de Stint op 20 september 2011 getest op de geldende technische eisen. De Stint voldeed aan al deze eisen, met uitzondering van de breedte.

De Stint die werd aangeboden had een lengte van 230 cm. De maximaal toegestane lengte voor een bijzondere bromfiets was 200 cm. Hieronder wordt de lengte van de Stint duidelijk. Deze tekening komt uit de oorspronkelijke aanvraag van de fabrikant. Eronder staan de keuringseisen uit het RDW-rapport.

De RDW maakte daar geen opmerking over in het testrapport. Mogelijk omdat de afkeuring al van toepassing was vanwege de breedte. Het ministerie had toen niet niet de gaten dat de Stint eigenlijk te lang was.

Maximale snelheid

Het antwoord op vraag 2 is twijfelachtig. De minister schrijft

Bij de aanvraag voor de Stint in 2011 is opgenomen dat het voertuig een maximumconstructiesnelheid van 15 km/u had. Ook in de SWOV- en RDW-adviezen is een snelheid van 15 km/u vastgesteld, zoals uit de bijlagen van mijn kamerbrief van 21 september blijkt. De toelating van de Stint in 2011 is dus gebaseerd op een maximumconstructiesnelheid van 15 km/u. De aanpassing van de maximumsnelheid door de fabrikant of reden van die aanpassing is niet met het ministerie gedeeld.

Laten we eens kijken wat in het keuringsrapport van de RDW staat wat betreft eis aan de maximale snelheid.

“Aangewezen bromfietsen moeten bij voortduring blijven voldoen aan de in artikel 20b van de wet vermelde maximumconstructiesnelheid vermeerderd met 5 km/h.

Artikel 20b is als volgt;

Voorafgaande aan de toelating tot het verkeer op de weg kan Onze Minister een motorrijtuig met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 25 km/h, uitgerust met een verbrandingsmotor met een cilinderinhoud van niet meer dan 50 cm3 of een elektromotor met een nominaal continu maximumvermogen van niet meer dan 4 kW, niet zijnde een gehandicaptenvoertuig, per type of individueel voertuig aanwijzen

Constructie snelheid plus 5 km/u = 20 km/u. De maximale snelheid van het meest recente model Stint is 17,2 km/u. De aanpassing is binnen de normen.

De SWOV maakte over de maximale snelheid van 15 km/h in 2011 de volgende opmerking:

Echter, de snelheid van het overig verkeer zal gemiddeld net wat hoger liggen dan de STINT waardoor er een grote inhaalbehoefte zal zijn. Dit inhalen is echter lastig in verband met de breedte van het voertuig

Een iets hogere snelheid is dus veiliger.

Wat de minister niet schrijft is dat in de Wegenverkeerswet , artikel 20b staat dat de bijzondere bromfiets een maximale snelheid mag hebben van 25 km/u.

De website van de fabrikant van de Stint geeft de maximaal wettelijk toegestane snelheid van 25 km/h ook aan.

Dit lijkt sterk op framing van de Stint door de minister.

Wel mogelijkheid recall

Antwoord 4 van de minister is wederom onjuist. Ze schrijft:

Zoals in de inleiding is aangegeven heeft de RDW de bevoegdheid om een recall te verplichten. Om te kunnen besluiten tot een verplichte recall is essentieel dat er handelingsperspectief is. Dit betekent dat duidelijk moet zijn wat de exacte technische tekortkomingen zijn en met welke technische aanpassingen het voertuig weer veilig is.
In mijn Kamerbrief van 1 oktober heb ik aangegeven dat de eerste voorlopige resultaten uit het onderzoek aanleiding geven tot twijfels over de technische constructie van de Stint. Daarbij was niet duidelijk welke technische aanpassingen konden worden gedaan om het voertuig veilig te maken. Dit maakte dat een verplichte recall op dat moment niet in de rede lag en leidde tot de noodzaak de aanwijzing van de Stint te schorsen.

De fabrikant heeft verklaard dat er in de gesprekken met de ILT in het weekend gesproken is over technische aanpassingen. De fabrikant was zelfs bereid een klein deel van de Stints terug te halen. De veer in de gashendel van het type Stint gemaakt na mei 2014 kan in zeldzame gevallen breken waardoor de gashendel niet automatisch teruggaat naar de uitgangspositie. Remmen kan nog steeds door handmatig de gashendel terug te draaien. De fabrikant had al van 500 Stints deze veer vervangen door een verbeterde versie. Dit type Stint is voorzien van een microswitch, een extra beveiliging wanneer de nul-stroomdraad breekt. De kans dat dit type Stint, waarvan er zo’n 3300 in gebruik zijn, op hol slaat is nihil.

Bovendien geldt door alle type Stints dat deze de stoppen is door de knop voor de rijrichting in de drukken of het contact uit te draaien.

Wijzigingen melden in niet verplicht

Ook het antwoord op vraag 6 is onjuist. De minister schrijft:

Elke wijziging in de bijzondere bromfiets behoort gemeld te worden, opdat door mij kan worden beoordeeld of de gewijzigde bijzondere bromfiets nog binnen de aanwijzing past.

De woordvoerder van de ILT, onderdeel van het Ministerie, schrijft echter aan mij:

dat welke wijzigingen in de loop van de tijd aan de Stint zijn aangebracht, onderdeel is van het onderzoek. Datzelfde geldt voor de vraag of/welke wijzigingen gemeld hadden moeten worden.

Nergens staat schriftelijk beschreven dat een fabrikant waarvan het voertuig voor 2015 is goedgekeurd als ‘bijzondere bromfiets’ wijzigingen moet melden aan het ministerie.

De jurist van het gastouderbureau uit Almere dat een kort geding aanspande tegen de minister schreef een brief aan de Kamer waarin hij zijn beklag doet over de onjuiste voorstelling van zaken door de minister.

De eerdere verkeerde informatie van de minister over de plicht van de fabrikant om wijzigingen te melden herhaalt de minister in het antwoord op vraag 8. Ze schrijft :

Bij de nationale toelatingen van een bijzondere bromfiets zoals de Stint worden er geen marges gespecifieerd. Wanneer de fabrikant het toegelaten voertuig dus wijzigt, moet dit dus altijd worden gemeld bij het ministerie van IenW. Het ministerie bepaalt dan of een nieuwe aanwijzing voor toelating tot de weg moet worden aangevraagd.
In de aanwijzing van de Stint is de fabrikant erop gewezen dat alle door de fabrikant op de markt gebrachte Stints naar vormgeving, technische specificaties en wat betreft hun verkeersveiligheid aan de door de RDW en de SWOV beoordeelde eisen dienen te blijven voldoen.

Zoals al bij vraag 6 aangegeven onderzoekt de ILT of er een plicht tot melden van wijzigingen was. De uitkomst zal zijn dat die er niet was. Zie de brief van de jurist met een uitgebreide uitleg. Alle varianten van de Stint voldoen aan de eisen die de RDW stelde in 2011. De SWOV stelde geen eisen maar gaf de minister een advies over de verkeersveiligheid.

Ik vroeg de persvoorlichter  van de RDW, mevrouw de Vroomen, op basis van welke wetgeving de RDW stelt dat de fabrikant wijzigingen aan de Stint zou moeten doorgeven aan het ministerie. Haar reactie was:

dat dit staat in de brief die aan de fabrikant is gestuurd door de minister op 14 november 2011. Deze brief is openbaar gemaakt door het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat.

Het antwoord door de minister op vraag 9 is dus wederom onjuist.

Stint herkeuring

Het antwoord op vraag 11 is wederom onjuist. De vraag is “Is de Stint na de keuring in 2011 nog een keer getoetst? De minister antwoord “Nee”

Onjuist. In een nog geheim document, niet bekend gemaakt door de minister en niet aan de Kamer verstrekt, maar wel ingebracht bij het kort geding schrijft een juriste van de ILT het onderstaande op. De juriste schrijft dit omdat ze notulen maakt van de gesprekken met de fabrikant op 29 en 30 september.

De fabrikant geeft aan dat de Stint eind 2014 opnieuw is aangeboden bij het ministerie. Gemeld dat ze een Stint met een smaller chassis hadden gemaakt, welke ze wilde voorleggen. Ingediend maar deze werd afgekeurd op de reflector. Toen is dit type Stint opnieuw aangeboden met een reflectorsticker Deze werd wederom afgekeurd, dit omdat de regels waren veranderd en het type hieraan niet voldeed. Toen is het huidige model doorgezet.

Het antwoord op vraag 18 gaat nogmaals over de plicht om wijzigingen te melden. Die plicht is er niet. Wederom onjuiste informatie door de minister aan de Kamer.

Conclusie

Over diverse onderwerpen heeft de minister de Tweede Kamer onjuist en onvolledig geïnformeerd. De voornaamste reden is dat haar dienst de ILT onvoldoende kennis heeft van de Stint en probeert haar straatje schoon te vegen.

Vergelijkbare berichten

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *