Penny wise, pound foolish: hoe een structureel tekort aan de-icingcapaciteit Schiphol verlamde

Waarom de winterchaos begin 2026 geen natuurverschijnsel was, maar het gevolg van jarenlange keuzes.

In de eerste week van 2026 veranderde winterweer Schiphol in een logistiek slagveld. Tussen 2 en 8 januari werden naar schatting circa 3.000 vluchten geannuleerd, waarvan ongeveer de helft door KLM. Met name dinsdag 6 januari en woensdag 7 januari waren extreem: op die twee dagen samen sneuvelden ongeveer 1300 vluchten.

Hoewel de overlast publiekelijk werd toegeschreven aan sneeuw en vorst en KLM de vele annuleringen als overmacht noemde, blijkt uit een reconstructie dat niet de sneeuw op de start- en landingsbanen, maar de beperkte de-icingcapaciteit van KLM de doorslaggevende bottleneck was. Die capaciteit bleek structureel onvoldoende voor zware sneeuwval — een risico dat al jaren bij KLM bekend zou moeten zijn.

Laatste update: 22 februari 2026


Banen snel schoon, operatie toch stil

De sneeuwval zelf was niet uitzonderlijk. Start- en landingsbanen konden na sneeuwbuien binnen een halve dag weer worden vrijgemaakt. De echte verstopping ontstond daarna: vliegtuigen konden wel taxiën, maar niet tijdig worden ontijsd. Daardoor ontstonden wachtrijen en uiteindelijk massale annuleringen. In een enkel geval moest een vliegtuig zelfs tweemaal de-iced worden omdat het toestel na de eerste de-icing niet binnen de voorgeschreven tijd aan de start kon beginnen.

De problemen werden verergerd doordat:

  • de de-icing door KLM te laat werd opgeschaald;
  • slechts vier remote de-icingplekken beschikbaar waren;
  • onvoldoende preventief werd geannuleerd;
  • en er zelfs een tekort aan de-icingvloeistof (glycol) ontstond
  • er de afgelopen jaren onvoldoende werd geoefend met KLM, LVNL en Schiphol samen.

Het gevolg was chaos niet alleen op de taxibanen maar vooral in de terminals. De communicatie van vooral KLM was zeer slecht. Passagiers moesten lang in de rij staan om te worden geholpen met een hotel en vouchers voor eten en drinken.

Het resultaat was een klassieke situatie van penny wise, pound foolish: besparen op relatief beperkte vaste kosten, weliswaar met een kleine kans op extreem winterweer, maar met een veelvoud aan schade als gevolg.


Overmacht? Of een bewuste beleidskeuze

KLM sprak publiekelijk van overmacht. Die lezing houdt echter geen stand wanneer gekeken wordt naar eerdere besluiten. Jaren geleden is bewust gekozen voor een centrale remote de-icing op het J-platform, met vier opstelplaatsen. Die capaciteit was afgestemd op gemiddelde winters, niet op scenario’s met langdurige sneeuwval. Bovendien was het aantal vluchten en het aantal jaarlijkse passagiers op het moment dat het besluit door KLM werd genomen lager dan nu.

Ironisch genoeg gold Toronto Pearson destijds als voorbeeld voor Schiphol. Daar — net als op luchthavens zoals Parijs CDG — wordt de-icing door de luchthavenexploitant zelf uitgevoerd, met aanzienlijk meer materieel en personeel. De reden is bekend: de-icing is cruciaal voor veiligheid, maar economisch onaantrekkelijk. Als je het primair bij airlines legt, wordt extreme capaciteit zelden rendabel geacht.


Een complex operationeel krachtenveld

De-icing is operationeel ingewikkeld. Er spelen belangen van:

  • de luchthavenexploitant,
  • de airline,
  • en de luchtverkeersleiding.

Toestellen die worden ontijsd mogen taxiverkeer niet blokkeren. Tegelijk mogen wachtende vliegtuigen geen aankomend of vertrekkend verkeer hinderen. Dat vraagt ruimte, buffers en heldere regie. Op Schiphol komt daar nog bij dat de exploitant de-icing niet zelf uitvoert, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Parijs of Toronto. Dat maakt de afstemming complexer en trager.

Volgens luchtvaartconsultant Etienne van Zuijlen die in de periode dat KLM besloot tot slechts 4 remote de-icing plekken actief was voor Schiphol in Airport Collaborative Decision Making A-CDM is er recent onvoldoende geoefend met Schiphol, LVNL en KLM in situaties met extreem winterweer. CDM moet er oa toe leiden dat alle betrokken partijen van elkaar weten wat er is besloten. Als KLM onvoldoende vluchten annuleert, kunnen deze niet weg van de gate omdat er geen de-icing capaciteit is. Aankomende toestellen hebben dan geen plek aan een gate. En de luchtverkeersleiding krijgt een chaos.


Wie ontijst waar op Schiphol?

Op Schiphol zijn grofweg twee vormen van de-icing:

1. Remote de-icing door KLM

Vrijwel alle maatschappijen laten hun toestellen ontijzen door KLM op het J-platform. Daar zijn vier opstelplaatsen: P10, P12, P14 en P16. Vliegtuigen taxiën onder begeleiding naar het platform, melden zich bij de zogeheten iceman en worden daarna ontijsd door meerdere trucks. Na afloop moeten zij op eigen kracht door kunnen taxiën richting startbaan. Het begeleiden van de vliegtuigen vanaf de taxibaan naast het de-icing platform wordt door de KLM uitgevoerd. Dat is de zogenaamde iceman. Die zit in een kleine soort toren bij het de-icing platform.

2. Gate de-icing door Viggo

Afhandelaar Viggo en ook anderen, voert de-icing uit bij de pieren. Dat scheelt taxi-tijd, maar heeft nadelen: minder ruimte voor trucks, langere behandeltijd en geen vaste drainage voor glycol. Afwatering moet tijdelijk worden afgesloten en resten worden opgezogen. Onder meer Etihad en TUI maken hier gebruik van.

President-directeur Van Oord van Schiphol gaf aan dat alle opstelplaatsen bij de gates zijn voorzien van een drainage systeem dat voorkomt dat glycol in het oppervlaktewater komt. Er kan bij de gates dus ook de-iced worden. Dat gebeurt vooral vanuit een soort hoogwerker waar een medewerker met een spuit in de hand het toestel ontijst. Er is bij de gate vaak geen ruimte voor vier de-icing trucks waardoor het de-icing langer duurt dan op de J-buffer. Dat komt ook omdat de de-icing wordt gedaan als iedereen aan boord is, en het toestel klaar staat voor de pushback. Het de-icing wordt op allerlaatste moment gedaan vanwege de holdover tijd. Dat is de tijd die mag zitten tussen de-icing en de start vanaf de startbaan.

Bovendien wordt de gate door de-icing daar bezet gehouden waardoor toestellen die zijn geland niet bij de gate kunnen komen, passagiers niet kunnen uitstappen en daardoor ook een transfer kunnen missen.


Dag één: onderbezetting

De eerste sneeuwdag was vrijdag 2 januari. Uit onderzoek van NH Nieuws blijkt dat in de ochtend slechts twee tot drie van de vier de-icingplekken operationeel waren. Pas rond 12.30 uur draaide de operatie op volle capaciteit. Dat wijst erop dat weersvoorspellingen zijn onderschat en personeel te laat is opgeroepen — cruciaal op de eerste dag van een winterperiode.


Wanneer is de-icing noodzakelijk?

De-icing is vooral nodig:

  • bij de eerste vlucht van de dag na nachtvorst;
  • en bij sneeuwval.

Bij droge, strenge vorst (bijvoorbeeld −10 °C met oostenwind) is de-icing niet altijd nodig. Een standaardbehandeling duurt 10 tot 20 minuten. Bij sneeuw duurt het aanzienlijk langer, omdat alle sneeuw volledig moet worden verwijderd voordat veilig kan worden gestart.

IJs op vleugels verstoort de luchtstroming, vermindert lift en kan besturingsvlakken blokkeren — met potentieel fatale gevolgen.


Wat is er nodig voor voldoende capaciteit?

Voor effectieve de-icing zijn minimaal nodig:

  • ruime opstelplaatsen die doorrijden na afloop mogelijk maken;
  • meerdere de-icingtrucks per toestel (2 voor narrowbody, vaak 4 voor widebody);
  • glycolopslag dicht bij de operatie;
  • een gescheiden drainage- en opvangsysteem voor glycol;
  • en voldoende getraind personeel, waaronder coördinatoren (icemen).

Milieuregels zijn strikt: glycol mag niet in het grondwater komen. Schiphol kreeg in 2006 tweemaal een boete van €300.000 wegens vervuiling van slootwater.


Structureel capaciteitsprobleem

Hoewel er op papier meerdere plekken bestaan waar de-icing mogelijk is, wordt in de praktijk vrijwel alles geconcentreerd op het J-platform met vier plaatsen. Alternatieven — zoals plekken bij taxibanen richting de Polderbaan of platforms P1 en P3 — zijn in het verleden niet benut, onder meer wegens investeringskeuzes en bezwaren van de luchtverkeersleiding.

Volgens oud-Schipholmanager Etienne van Zuijlen op Linkedin zijn vier plekken voldoende voor hooguit twee dagen lichte sneeuwval. Bij zware sneeuw zijn circa acht plekken nodig. Die herijking is nooit uitgevoerd, terwijl:

  • het aantal vluchten toenam;
  • het aandeel widebody-toestellen groeide;
  • en het aantal passagiers sterk steeg.

Rekenkundig is het tekort evident:
met vier plekken en circa maximaal 30 minuten per toestel kunnen ongeveer acht tot maximaal 16 vliegtuigen per uur worden ontijsd op het J-platform. In piekuren vertrekken meer dan 100 vliegtuigen per uur vanaf Schiphol.


Materieel en personeel: niet de beperkende factor

KLM beschikt over circa 25 de-icingtrucks, waaronder Safeaero-types van Textron GSE. Een high-end truck kost naar schatting tot €1 miljoen. Volgens KLM zijn ongeveer 100 medewerkers opgeleid voor de-icing. Personeel en materieel waren dus niet het probleem; opstelruimte en logistiek wel. De medewerkers zijn vooral vrijwilligers die naast hun reguliere baan (ICT, marketing) bij KLM in de winter meehelpen met het de-icen.


Glycoltekort en late beslissingen

Op 6 januari maakte KLM bekend dat de glycolvoorraad bijna op was. Door weersomstandigheden kon de leverancier niet tijdig leveren. KLM haalde daarop zelf voorraad op in Zuid-Duitsland en besloot vrachtvluchten niet meer te ontijzen.

Tegelijk werd onvoldoende preventief geannuleerd. Vluchten met overstappers werden pas geschrapt nadat passagiers al op Schiphol waren aangekomen. Hotels rond Schiphol en in Amsterdam verhoogden prijzen fors, terwijl gestrande reizigers soms dagen vastzaten.

KLM schoof de schuld van het onvoldoende aantal plekken voor de remote de-icing op het J-platform ten onrechte door naar Schiphol. KLM woordvoerder Van der Vis verwijst EenVandaag door naar Schiphol wat betreft het aantal plekken voor de-icing wat ze aanbieden.


Financiële en reputatieschade

Naar schatting 1.000 tot 1.500 KLM-vluchten werden geannuleerd. De kosten liepen op door:

  • hotelovernachtingen;
  • maaltijden en vervoer;
  • extra personeel;
  • thuisbezorging van bagage;
  • het niet verkopen van stoelen zodat gestrandde passagiers naar hun bestemming konden;
  • en langdurige verstoring van het netwerk.

Ongeveer 300.000 passagiers moesten worden omgeboekt. KLM sprak van een “financiële aderlating”. Schattingen lopen uiteen van €15–€40 miljoen voor KLM alleen; Barclays schatte de schade voor de Air France–KLM-groep op circa €100 miljoen.

Na de publicatie van de jaarcijfers bleek dat de schade voor KLM door het winterweer en de problemen met oa de-icing zo’n 72 miljoen euro bedragen.

Daarbovenop kwam forse reputatieschade. Buitenlandse passagiers klaagden over gebrekkige informatie en lange vastzittijden — een imago-verlies dat zich niet eenvoudig laat herstellen.


Mogelijke oplossingen

De oplossingen zijn relatief eenvoudig en betaalbaar:

  1. Vroeger preventief annuleren bij verwachte sneeuwval.
  2. Meer gate de-icing voor narrowbody-toestellen, met aanvullende opvang voor glycol.
  3. Uitbreiding van het J-platform van vier naar zes plekken door beperkte aanpassingen (zoals het verplaatsen van lichtmasten).
  4. Inzet van het Y-platform met aangepaste drainage.

Deze maatregelen vergen beperkte investeringen vergeleken met de schade van één winterweek.


Conclusie

De chaos op Schiphol begin 2026 was geen onvermijdelijk natuurverschijnsel. Het was het resultaat van jarenlange onderschatting van risico’s en een structureel tekort aan de-icingcapaciteit. De keuze om te vertrouwen op vier plekken, terwijl bij zware sneeuw minimaal acht nodig zijn, was onzorgvuldig.

De winter van 2026 laat zien dat de-icing geen kostenpost is om op te minimaliseren, maar kritische infrastructuur voor een robuuste en geloofwaardige luchthavenoperatie.

Vergelijkbare berichten

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *