De Stint valt wel degelijk onder de wet artikel 174 als zijnde ‘waar’
Een opmerkelijk argument werd door advocaat Geert-Jan Knoops gebruikt in zijn pleidooi tijdens de zitting over de Stint in de rechtbank ’s Hertogenbosch. De Stint zou volgens hem niet een ‘ waar’ zijn zoals in het artikel 174 Wetboek van Strafrecht staat.
Het Openbaar Ministerie vervolgt de makers en leidinggevenden van het bedrijf dat de Stint verkocht voor het in de markt brengen van een schadelijk product (art. 174 Wetboek van Strafrecht), met verdachte kennis van gebreken en verzwijging, en valsheid in geschrifte.
Knoops vertelde in zijn pleidooi dat de Stint door de wetgever kan worden gezien als een ‘ waar’ zoals bedoeld in Artikel 174 Wetboek van Strafrecht. Dat artikel luidt als volgt:
Artikel 174
1.Hij die waren verkoopt, te koop aanbiedt, aflevert of uitdeelt, wetende dat zij voor het leven of de gezondheid schadelijk zijn, en dat schadelijk karakter verzwijgende, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie.
2.Indien het feit iemands dood ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Inhoud van het pleidooi van verdediging
Geert-Jan Knoops bracht in zijn pleidooi in dat de Stint niet kan worden gezien als een waar. Als de Stint een waar zou zijn zou de overheid er ook toezicht op moeten houden. En dat toezicht ontbrak nu juist. Een medewerker van de ILT had tijdens het verhoor bij de rechtercommissaris gezegd dat hij voor het ongeluk nog nooit van de Stint had gehoord. De bedoeling van Artikel van 174 zou zijn het beschermen van consumenten tegen ondeugdelijke consumentengoederen. De Stint is geen consumentengoed. En kan niet zomaar door iedereen vrij worden verkocht. De fabrikant zou bij interesse van een bedrijf eerst toetsen of de Stint bij het bedrijf past. Voor de bescherming van gebruikers van de Stint zouden andere wetten zijn zoals de Wegenverkeerswet. “Er is niet eerder een vervoermiddel onderwerp geweest onder deze artikelen. Waarom niet? Omdat de wet er niet voor bedoeld is”, zei Knoops.
Er is, volgens Knoop, in de jurisprudentie geen voorbeeld te noemen waar een vervoersmiddel werd gezien als een waar zoals bedoeld in artikel 174. Dit artikel is bedoeld voor bijvoorbeeld vuurwerk en speelgoed. Consumenten goederen waar vooraf geen toetsing of keuring voor vereist is en die vrij op de markt verkrijgbaar zijn. Als de Stint zou worden gezien als een waar zou de Nederlandse Voedsel en Waren autoriteit er toezicht op moeten houden. De Warenwet is een vangnet voor producten waar gebruikers niet worden beschermd tegen gevaar door andere wetten.
Volgens Knoops heeft het OM artikel 174 er met de haren bijgesleept.
Aldus het pleidooi van Knoops. Als we gaan zoeken in de jurisprudentie dan blijkt Knoops geen gelijk te hebben.
Waarom de Stint wél onder artikel 174 valt en moet worden gezien als ‘ waar ‘
Het verweer dat de Stint geen ‘waar’ zou zijn, houdt juridisch geen stand. Dat blijkt uit vaste rechtspraak over artikel 174 van het Wetboek van Strafrecht, dat ziet op het in de handel brengen van gevaarlijke producten.
Toen in de strafzaak rond de Stint werd betoogd dat het voertuig niet onder artikel 174 van het Wetboek van Strafrecht zou vallen omdat het geen “waar” zou zijn, klonk dat voor leken misschien aannemelijk. De Stint is immers geen pak melk of partij speelgoed, maar een elektrisch aangedreven voertuig, toegelaten tot de openbare weg als bijzondere bromfiets. Toch wijst bestaande jurisprudentie duidelijk een andere kant op.
Ruime uitleg van het begrip ‘waar’
Artikel 174 Sr stelt strafbaar wie opzettelijk een waar in de handel brengt waarvan hij weet dat deze gevaarlijk is voor de gezondheid, terwijl dat gevaar wordt verzwegen. De wet definieert niet wat onder een “waar” moet worden verstaan. Die open norm is door rechters consequent ruim ingevuld.
In de praktijk geldt: elke stoffelijke zaak die bestemd is voor verkoop of levering kan een “waar” zijn. Dat beperkt zich niet tot consumptiegoederen. Ook technische producten, industriële stoffen en professionele apparatuur vallen eronder.
Een waar zoals in Artikel 174 moet een handelswaar zijn. Dat betekent dat een waar een economische waarde in het handelsverkeer heeft. De Stint is overduidelijk handelswaar.
In de jurisprudentie zijn een aantal voorbeelden te vinden waar veroordeling volgde op het op de markt brengen van waren die niet direct voor verkoop aan consumenten zijn bedoeld.
Fipronil zaak
Deze zaak ging om de levering van een bestrijdingsmiddel tegen bloedluis bij kippen. De uitspraak van de Hoge Raad geeft oa aan wat onder waren moet worden verstaan.
Blaasspoelvloeistoffen
In deze zaak, die speelde rond 1989-1990 werd een leverancier van blaasspoelvloeistoffen ervan verdacht dat hij wist dat hij niet voldoende gesteriliseerd blaasspoelvloeistoffen had geleverd aan verpleegtehuizen. In deze zaak gebruikte het OM oa artikel 174.
Opmerkelijk is dat Geert-Jan Spong ook in deze zaak als advocaat was betrokken.
Er is vrijwel niets online over deze zaak te vinden. Opvallend is dat de uitspraak die in november 1990 was, op 11 november 2025 online is gepubliceerd. De zaak werd destijds behandeld door de rechtbank te Leeuwarden. In hoger beroep kreeg de verdachte twaalf maanden gevangenisstraf waarvan zes maanden voorwaardelijk. Advocaat Spong ging in cassatie bij de Hoge Raad. De procureur Generaal concludeerde verwerping van het beroep van Spong.
Niet duidelijk is of Spong ook in deze zaak probeerde om de rechtbank te overtuigen dat medische waren niet onder artikel 174 zouden vallen. Niets wijst daarop.
Trafigura: ook complexe producten zijn ‘waren’
Een van de bekendste voorbeelden is de Trafigura-zaak rond het schip Probo Koala. De oliemaatschappij leverde sterk vervuilde afvalstoffen aan een Nederlandse verwerker zonder te melden hoe gevaarlijk deze waren. Rechters oordeelden dat deze slops kwalificeerden als “waren” in de zin van artikel 174 Wetboek van Strafrecht. Doorslaggevend was niet het type product, maar het feit dat het werd geleverd en dat het gevaar werd verzwegen.
Het betrof hier geen producent, maar een leverancier. Dat maakte strafrechtelijk geen verschil.
Ook leveranciers worden vervolgd
Dat leveranciers onder artikel 174 Sr kunnen vallen, blijkt ook uit recentere zaken. In 2020 veroordeelde de rechtbank Rotterdam een groothandel die pinda’s met een te hoog aflatoxinegehalte had verkocht zonder afnemers adequaat te informeren. De rechtbank benadrukte dat het artikel niet ziet op het veroorzaken van schade, maar op het bewust in de handel brengen van gevaarlijke producten zonder waarschuwing.
Vergelijkbare redeneringen zijn te vinden in zaken over chemische stoffen zoals GBL, diergeneesmiddelen en bestrijdingsmiddelen. In al deze zaken ging het om producten die legaal of semi-legaal werden verhandeld, maar waarvan de risico’s onvoldoende werden gecommuniceerd.
Bestuursrechtelijke toelating is geen vrijbrief
Een terugkerend verweer in dergelijke zaken is dat het product is toegelaten onder andere wetgeving, zoals de Warenwet of de Wegenverkeerswet. Rechters hebben dat argument herhaaldelijk verworpen. Bestuursrechtelijke goedkeuring sluit strafrechtelijke aansprakelijkheid niet uit.
Dat is relevant voor de Stint. Het voertuig was toegelaten als bijzondere bromfiets, maar die toelating zegt niets over de vraag of de leverancier of fabrikant strafrechtelijk kan worden aangesproken als bekend was dat het product gevaarlijk kon zijn bij normaal gebruik.
De kern: verzwijgen van gevaar
In de jurisprudentie draait artikel 174 Sr steeds om dezelfde kernvraag: wist de verdachte van het gevaar, en is dat gevaar verzwegen? Het enkele bestaan van een technisch gebrek is onvoldoende. Maar als risico’s bekend waren en niet zijn gedeeld met afnemers of gebruikers, kan strafbaarheid ontstaan.
Precies daar raakt het juridische debat rond de Stint aan de bestaande rechtspraak. De vraag is niet of een voertuig een “waar” kan zijn — die vraag is in de rechtspraak al lang bevestigend beantwoord — maar of betrokken partijen wisten van veiligheidsrisico’s en hoe zij daarmee zijn omgegaan.
Conclusie
Wie de Stint buiten het bereik van artikel 174 Sr probeert te plaatsen door te stellen dat het voertuig geen “waar” is, botst met vaste jurisprudentie. Nederlandse rechters hanteren al jaren een ruime uitleg van het begrip. Die uitleg is juist bedoeld om te voorkomen dat gevaarlijke producten, hoe technisch of bijzonder ook, zich aan strafrechtelijke verantwoordelijkheid onttrekken.